7 april 2019 Reisverslag terug naar Marokko

ALTIJD WELKOM IN DE RIF

dagboeknotities fietsreis april 2019

Vrijdag 5 april ’19

Dagboek van een gestructureerde chaoot

Treinend, varend en fietsend naar de Rif. Geen strak plan, wel scherpe focus op welke spullen meemoeten en welke niet:

  • 1 rol WC-papier
  • 10 enveloppen om lange brieven op te sturen
  • Dagboekschriftje
  • Drie onderbroeken zonder gaten
  • Houthakkershemd, borstbeschermend voor frisse ochtenden maar niet verstikkend
  • Warme slaapzak om buiten of bij mensen thuis te slapen , in Throughout bvb
  • 1 drinkbus, 2 flesjes water, allen hervulbaar
  • Kaart Marokko, kaart Frankrijk, detailkaart Languedoc – Roussillon
  • 1 pak peperkoek Devreese voor pittige klimmen
  • 1 pot sesampasta van de Wereldwinkel
  • 2 paar sokken , 1 dik en 1 dun
  • 2 paar witte t-shirten (marginaal) en 1 wit hemd (om te scoren)
  • Boek ‘Requim voor de eerste generatie’ van Fouad Laraoui
  • Boek El Negro en ik van Frank Westerman
  • Bruiloft aan zee van Abdelkader Benali
  • Orlando van Virginia Woolf
  • Fast Food Fatwa’s van Jonas Slaats
  • 1 muts, handschoenen, lichte sjaal
  • Foto-apparaat, oplader
  • Tandenborstel, pasta, oplader
  • 1 mes, 1 lepel, 1 koffielepel, 1 schilmes, 1 vork
  • Naamkaartjes om te netwerken
  • 4 stylo’s met vettige inkt en 2 markeerstiften
  • 2 gidsen Marokko
  • 1 GSM, 1 oplader
  • Stapschoenen (vrouw kwaad om dat die belachelijk aan het stuur bengelen, man koppig)
  • Sandalen
  • Korte koersbroek
  • Bankkaart met codering buiten Europa
  • Boek ‘De Vergeten geschiedenis van de Marokkaanse Rif’ van Mustafa Aarab
  • Trein- en bootticketten
  • Zonnecrème tegen het verbranden
  • Witte pet tegen felle zon
  • Fietsslot

Zondag 7 april 2019

Trein van Parijs-Austerlitz naar Toulouse. Michael komt uit Ivoorkust en woont in Perpignan, hij is 17, christen.  Hij vertelt over zijn overtocht via Marokko, ze waren met 56. Baby’s, zwangere vrouwen, ze probeerden het via Nador en werden door een boot van het Internationale Rode Kruis opgepikt, allen overleefden de tocht.

We zitten in het fietshok, hij heeft enkel een schamele plastic zak bij zich met wat eten. Ik leen hem mijn eigen slaapzak uit, het treinpersoneel staat toe dat hij mee in ons slaapcoupé de nacht kan doorbrengen. Een kleine zachte toelating in een harde wereld voor Michael. Ik  kan niet geloven dat hij pas 17 is. We leven in ongelijke en in totaal verschillende werelden, dat zeker. Als jonge knaap heeft hij met gevaar voor eigen leven alles achtergelaten en via Noord-Afrika in Europa geraakt en ik maak een omgekeerde beweging voor een vakantiefietstocht …

Ik wil hem ’s morgens een ontbijt aanbieden, maar hij is plotseling erg gehaast, zegt iets van Narbonne, daar moet ik ook naartoe, misschien zie ik hem nog terug …

Alle verbindingen vlot gehaald. Toulouse-Narbonne, fietstocht Narbonne-Sète, zelfs een stukje Canal du midi gevolgd tot dat spoor in een compleet ontoegankelijke kleiige modderweg overging. De omgeving van de ‘zone portuaire’ brengt me onmiskenbaar in Marokkaanse sferen, muntthee, veel schouderklopjes als ze mijn kleibesmeerde fiets zien, of ik voor de kif ga vragen ze, ik vind in een rommelige bazaar een paar plastic slippers voor twee euro.

Bidmatjes worden uitgerold, berichten worden in het Frans en Arabisch omgeroepen op de boot via de intercom. Ik ben van de vele honderden passagiers de enige fietser tussen voloverladen camionettes, een tiental motards, heel veel zware sporttrucks die zich ‘of road’ gaan amuseren …

Maandag 8 april ’19

Ik ontbijt met een man van Oujda. Elke versie van de Rif en de Hirak is een variant op weer een ander frame. Deze keer gaat het als volgt: ‘Hassan II, dat was een dictatuur. Onder de huidige koning kunnen ze toch niet klagen. De wegen zijn spectaculair verbeterd bijvoorbeeld. De Riffijnen kunnen toch geen levensstandaard verwachten als die in Europa. En dat ze op eigen benen willen staan zoals Andorra of de Sahrawi in het zuiden, is het begin van het einde. Onaanvaardbaar is dat.’ Ik stel vragen en bijvragen en weet dat enkele van mijn militante Riffijnse vrienden flink in de tegenaanval zouden gaan bij deze analyse …

Ik heb het getroffen. Twee oudere Marokkanen in mijn kajuit die zeer graag vertellen en toch wel ongezouten hun mening delen. De één woont rond Genève en doet transport van groenten en fruit uit Marokko naar Zwitserland, een grootdistributeur van achtenzestig, hij wil nog lang niet stoppen, in mijn camionette ben ik gelukkig … overal heeft hij huizen laten bouwen in het moederland van zijn ouders. Zijn vader heeft het Franse vaderland gediend in de tweede wereldoorlog rond de Jura en is in Frankrijk blijven hangen, maar zijn hoogopgeleide kinderen willen niet op vakantie in Marokko komen. Marokko spreekt hen minder aan dan Thailand of Amerika als vakantiebestemming. Het is wat Abdelkader Benali met scherp schrijft in zijn debuutroman ‘Bruilof aan zee’: ‘Dikwijls lijken Marokkaanse tradities en normen van een andere planeet te komen. Uiteindelijk blijken de twee werelden niet meer verenigbaar (p.159)’.

Het versnelt het vergeten van de traditie, de pijn zit meer bij de ouders dan bij hun kinderen. Benali zelf is er een uitgesproken voorbeeld van.

Said blijft babbelen maar zeer erudiet. Over het ontbreken van een middenklasse in Marokko, over de onmetelijke rijkdom van de koning, zijn veeteeltlanderijen zijn immens, nog een sector bovenop andere sectoren waar de koning een aardige stuiver mee verdient …

‘Bruilof aan zee’ is een knotsgekke roman. De laatste zin  van klasbak Benali is illustratief: ‘Misschien is het wel een beetje waar … een heel klein beetje’ (p.152). Er loopt zoveel krom, ondersteboven en met een grote onstuimigheid, ik krijg vaak flashbacks naar ‘Black cat, white cat’, die al even dolle Balkanprent van Emir Kusturica waar een huwelijk ook centraal staat.

In ‘Bruilof aan zee’ staat Nadorp voor Nador, Maanzaad-Stad is Rotterdam. De geboorteplek van Benali –Ighazzazen- heb ik nog niet op de kaart gevonden. De stijl van het boek is weergaloos: ‘hij smeedt nieuwe woorden, goochelt met rijmpjes, liedjes en bestaande zegswijzen (…)’. Berbers, Engels, Rotterdams wisselen elkaar in een hoog tempo af, ook al beslaat ‘Bruiloft aan zee’ slechts één dag …

Ik start met ‘El Negro en ik’ van Frank Westerman, we liggen in Barcelona en zijn na achttien uur op de boot nauwelijks opogeschoven richting Afrika. Hamdillulah!

                        Maar het is werkelijk genieten op de boot. Baharak Bashar sms’t dat ze me benijdt, omdat ik zoveel kan lezen en dat haar baby zoveel tijd in beslag neemt. Ik ben erg bevoorrecht, Westerman’s boek is fantastisch, erg leerrijk …

In het restaurant vertelt Hamza met dat het vijfentwintig graden is in de Rif. Het bootvolk bestaat uit : Italianen die de cafétaria doen, Filippijnen die de tafels afruimen, Marokkanen die slapen of discussiëren met veel gebaren, Hollanders die in de woestijn met stoere gesponsorde sporttrucks gaan klooien, ze drinken heel veel Heineken en maken heel veel lawaai. Ik ben de Belg, tevreden met mijn teenslippers, ik lees en knoop hier en daar een praatje aan, meestal over doodgewone dingen, er zijn ook Fransen die hun familie bezoeken … een gezellig zootje dus.

Dinsdag 9 april ’19

‘De boot gaat niet al te vlug’, zegt Hamid. Ik denk: je moet toch al heel erg een kenner zijn om dat te kunnen berekenen, want ik zie niets dan water rondom me. Maar Hamid heeft gelijk. We zullen met dertien uur vertraging aanmeren.

Ik laat af en toe het woord ‘Hirak’ vallen, maar veel activistische gesprekken heeft dat nog niet opgeleverd. Mijn kleine teen zegt dat daar nog wel verandering in komt. Ben vastbesloten om Annoual te passeren waar Abdelkrim-el-Khattabi de Spanjaarden een verpletterende en vernederende nederlaag aansmeerde in 1921. Dat een klein guerillaleger een Europese grootmacht vernederde trok zelf de aandacht van de Viëtnamese leider Ho Chi Minh.  ‘Maar los van het historische belang van de plek is er niet veel meer te zien’, laat Suleyman weten. ‘Illustratief hoe de overheid met Riffijns cultureel erfgoed omgaat’, zegt Btsim Akarkach daarover. ‘Ga er met Azziz naartoe’, suggereert Sietske.

Heel lang gebabbeld met Hassan, zeer interessante kerel. We wisselen uit over geloof, over de streek waar hij woont, over biologische landbouw. Hij heeft veel kritiek op het geloof zoals het wordt beleefd door de meeste moslims, het is heel erg op de buitenkant en te weinig op de binnenkant gericht, het is te verticaal en te weinig horizontaal zegt Hassan. Veel gebruiken en kennis over de islam zijn ontdaan van hun echte betekenis en hun context. Hassan hoeft niet naar de moskee om zijn relatie met Allah te onderhouden. ‘Het enige doel van de islam voor mij is om een goed mens te zijn in de tijd dat we HIER en NU zijn’, dat klinkt voor mij als een boeddhistische variant van een humanistische islambeleving … Woorden als ‘handen afhakken’ dienen we te lezen als negatief gedrag als diefstal ‘keren’ of ‘stoppen’ en een hoofddoek is een teken van eerbied en bescherming voor de wellust van mannen.

Over de streek waar hij nu woont –hij is een veertigjarige remigrant, het racisme in Frankrijk beu- is hij bijzonder lyrisch. Jorf, een stadje van zesduizend inwoners kent nog echte pure lucht en er wordt gekweekt zonder kunstmest of pesticiden. Het is een slordige 850 kilometer zuidwaarts van Nador, ik zal er deze vakantie zeker niet geraken. Maar nuance biedt ook te zeggen dat er geen hospitalen zijn in dat deel van Marokko.

Ik kom intussen ook te weten dat we op één motor draaien met de boot en we daarom pas om 20 uur zullen arriveren. Dat dikt het aantal uren aan tot vijftig, gelukkig is er nog Virginia Woolf …

Het wordt nu wellicht half elf maar u begrijpt dat ik wat sceptisch wordt van al die voorspellingen. De theorieën tieren net als de wind buiten welig. De oplossingen zijn redelijk wild. ‘Ze moeten Italië (de rederij is Italiaans) uit de EU zetten’, ‘slechts na zware druk op de zaakvoerderij werd een gratis maaltijd afgedwongen’, Benali zou er een zot verhaal over kunnen schrijven.

Nador is nog vijftien kilometer van de haven, ik zal wel niet de enige zijn die onverwachts slaapplaats zoekt?

Woensdag 10 april ’19

Laat ik het samengevat een zeer bewogen dag noemen. Op mijn avondwandeling door het stadje TAGHAZINE uitgebreid ondervraagd door de lokale commissaris, ik had nochtans een smetteloos wit hemdje aan. Wat ik hier doe? Waar ik slaap? Hoeveel ik betaald heb voor mijn kamer? In welk vakgebied ik als professor gespecialiseerd ben? Zijn arrogante toon smelt snel weg als ik het over de band tussen Lokeren en Throughout heb en mijn mateloze fascinatie voor de Rif uitspreek. Waarom ik me tot de Rif beperk? Waar mijn bagage staat? De aanhouding eindigt met een schouderklap en hartelijke wensen voor mijn verdere tocht. Deze geschiedenis zal zich nog herhalen …

Ik ben op zo’n twaalf kilometer van ANNOUAL. De wind zat pal voor me, wat het meteen tot een zware etappe maakte, maar fysiek en mentaal is alles goed verlopen. Nabij LAZZANENE gebabbeld met een Limburger van Pelt, als veertienjarige is hij met zijn vader die in de ‘putten’ van Waterschei zakte, gevolgd. In het café komt een oude man in vlekkeloos Duits even kennismaken. De sardines onderweg waren verschrikkelijk lekker en mijn nieuwe ambachtelijk vervaardigde sandalen zitten als gegoten. Ik herken veel plaatsen uit 2015, het is genieten van de Riffijnse panorama’s maar vloeken op zijn hellingen.

In het hart van de Rif breng ik vaak de Hirak en Abdelkrim el Khattabi ter sprake, daarnet nog aan m’n tafeltje waar ik met vijftig anderen opga in de partij Manchster-Barcelona. Hassan is er zich goed van bewust dat het niet zomaar toeval is dat er in Annoual nog zo weinig te zien is van de historische overwinning van een klein Riffijns guerillaleger tegen een veel grotere Spaanse troepensterkte.  

Taghazine is armoedig, de kinderen vragen me geld, er zijn amper vrouwen op straat. Maar enkele generaties terug was hier nog geen elektriciteit of stromend water en vandaag is er ook nieuwbouw die er fraai en kostelijk uitziet. Spaans is hier beter ontwikkeld dan Frans, Frans spreekt haast niemand. Maar de hulpvaardigheid, de vriendelijkheid en de amicaliteit treft me, Taghazine vindt het bijzonder met zo’n fietsende Belg in het dorp.

Donderdag 11 april ’19

Veel gebeurd. Veel gekregen. Veel lichamelijks gegeven. Pittige klim tot in Annoual. Het monument dat herinnert aan de veldslag van 1921 is sterk beschadigd. Said zegt dat het de schuld is van de Arabieren.

Ik beland op een markt in een gehucht net voor TEMSAMANE. Iedereen schudt me de handen. Aan een tankstation word ik uitgenodigd door Ahmed om thee te drinken, tussen vele tankbeurten door draaft hij om stokbrood, hij giet mijn teiltje vol met olijfolie en opent een tweede smeerkaasje. En tussen zoveel harmonie ook hier een poging-tot-vluchten-verhaal. Met snelle zodiacs op weg naar het Spaanse Motril, onderschept, 2004, hij was toen 21. Nu hij het tankstation van zijn nonkel heeft overgenomen is er een stabiele inkomstenbron en is hij tot rust gekomen en blij in Marokko te kunnen blijven. De kosten van de lunch zijn voor Allah, waar heb ik zoveel goedheid en vriendelijkheid verdiend? ‘On est comme ça’, zal een oude man later mompelen in Ras-el-ma. Wij zijn zo. Gastvrij DNA dus.

Als ik vier bananen koop krijg ik er acht, als ik afgepeigerd in Driouch arriveer voert de eigenaar me met de auto naar de stad terug waar ik warm kan eten, als ik koffie in Midar bestel gaan we samen uitgebreid op de foto, een Nederlander uit Leiden heeft me zijn nummer ‘voor als je vastzit’, iemand uit Hoboken is blij met het babbeltje …

Het stuk Rif tussen Temsamane en TAFERSITE oversteken is loeizwaar, de weg is slecht, de zon brandt hevig, armen gloeien kalkoenrood, meter voor meter nader ik de top. Daarna is het kinderspel richting MIDAR en DRIOUCH, de wind zit flink in de rug. Het plan rijpt om de komende dagen door te steken naar BERKANE en OUJDA, richting de Algerijnse grens. Morgen via ZAIO een slordige 110 kilometer voor de boeg. Een jonge kerel begeleidt me kilometers lang met zijn brommertje naar een slaapplaats net buiten de stad.

Vrijdag 12 april ’19

Even recapituleren. Om de zon wat te mijden om zeven uur Marokkaanse tijd vertrokken en zeven uur later verorber ik een slaatje in Zaio op veertig kilometer van het einddoel Berkane. Het landschap erg wisselend, van bijna woestijndroog tot vruchtbaar groen. Tot SELOUANE is de tocht zo vlak als een Wit-Russisch biljartlaken, met de afslag richting Oujda verandert alles. Klimmen en dalen, zwarte uitlaat van puffende en vaak tot op de draad versleten bestelwagens en trucks trotserend, maar evengoed zwaaien naar bruingeblakerde herders en genieten van het gebergte links en rechts. De muezzin roept de gelovigen op deze islamitische hoogdag naar de moskee, maar het kan ook een cassette zijn. De jongeren op straat schijnen geen haast te maken. Net als in Lokeren sluiten handelszaken en openbare diensten zoals de post hun deuren. Er zijn opvallend meer vrouwen die zich wellicht ook naar de moskee spoeden. Jongens die hard scheuren op hun moto (zonder helm, onbestaand tot zeldzaam voorwerp in Marokko) oogsten bijval. Het gebed duurt een half uur en daarna zal het publieke leven weer op gang komen. Als de moslims bidden gaat de atheïst fietsen.

                        De volgende veertig kilometer kruis ik het sinaasappelgebied van de regio rond Berkane. Ik wil er twee kopen. Twee kilo? Nee, twee stuks. Die krijg ik gratis. Mijn pijp is nu haast uit, de laatste twintig kilometer zijn er teveel aan en de wind gaat dan ook nog eens draaien.

Ook bidons benzine behoren tot de koopwaar van de straat. Er zijn weinig mensen die stoppen, en omdat alle vijftig kopers allemaal hetzelfde aanbieden, moet je als aanbieder al veel geluk hebben om wat dirhams te verdienen … in 2016 sprak ik met een activist uit Berkane die zich erover beklaagde dat de regio zo eenzijdig op de productie van de oranje vruchten inzette. Temeer omdat de teelt veel water vraagt terwijl dit deel van het land al kreunt onder chronische droogte. Nog even wegzinken op mijn terras in Fouad Laraoui’s “Requiem voor de eerste generatie” …

De laatste vijftien kilometer zijn veel minder dramatisch dan de cafébaas me had voorgespiegeld, de hitte is bovendien gevallen. De stad BERKANE is overweldigend wat dynamiek in de publieke ruimte betreft, het verkeer is prettig chaotisch  na veel monotone kilometers en rond Souk Mabrouk gonst het van de bedrijvigheid. Een lasser zet twee staalplaten aan elkaar, jonge meiden giechelen als ik ze salamiseer en ook: look, brood, schaap, meel, een schoenlapper, vijfduizend kilo wortelen … beetje on-Marokkaans is er ook een speel-en kuierplek in het hart van de stad. Een vader kust zijn zoon omdat hij net scoorde, een twintiger versiert tevergeefs twee meisjes, kappers draaien overuren … ik hoop dat het niet seksistisch zal klinken maar ik ben blij na honderden kilometers door mannenland te hebben gefietst, dat ik opnieuw zoveel prachtige vrouwen kan kruisen. Kleine meisjes passen op hun nog jongere zusjes, de stoerste fietsen door het voetbalplein, er volgt een pak rammel … bij de oproep tot gebed loopt het plein leeg, het kleinste grut gaat slapen, de versierders blijven.

Morgen proberen met taxi in OUJDA te raken voor een stadsbezoek en tevens een rustdag, mijn achterste kan weer wat op zijn effen komen … het voelt gehavend aan.

De schapenhoeder komt met zijn ruime kudde tot in de voorstad, ik herken de kerk waar Said zijn bureau heeft, hij staat net op vertrekken en nodigt me uit voor een opruimactie aan de rivier van SAIDIA, ik pas. Een man die gewoon een beetje uit het raam van een restaurant zit te staren, wordt de deur gewezen, ook dat is Marokko …

Zaterdag 13 april ’19

De taxichauffeur oogt vermoeid, maar zet ons met zes veilig af in Oujda. De immense stad is alles wat een grootstad typeert in Marokko: oude volle uitgestrekte medina’s, schrijnende armoede, sigarettenverkopers, ook per stuk, flink uit de kluiten gewassen moskeeën, bergen olijven, rozijnen, dadels, jonge kerels en stokoude mannetjes met stootkarren, gehavende en intacte …

De sfeer van de medina is hartelijk, eerder persoonlijk, de afwezigheid van toeristen heeft een positieve tol. Maar toch ben ik een buitenstaander.

De taxirit kostte dertig dirham voor zestig kilometer. We zaten met zes, dat is dus 180 dirham of 18 euro per rit. Je kan dat schraal vinden maar het is één van de beter betaalde jobs denk ik. En dus twijfel ik of busvervoer (met dus een collectief en staatskarakter) een beter idee is dan de vele families die leven van de ‘petit et grand taxi’s’. Zou een heel klein beetje liberalisme soms niet beter kunnen zijn? (vrij naar Noordkaap)

De omgang tussen vrouwen en mannen in de medina lijkt erg ongedwongen, er zijn evenveel vrouwen gesluierd als ongesluierd. Aan de buitenkant van de medina hebben zwarte verkopers zich met horloges en juwelen geïnstalleerd. Een jong zwart meisje met een baby ligt tegen de muur, hoe kan je hier overleven zonder familienetwerk?

Ellende, rijkdom, ziek, gestoord, dikbuikig, pezig … het zit allemaal geconcentreerd op elke kluit in deze stad. Een aardbeiverkoper zet zich met zijn kar midden op een druk kruispunt aan ‘Place 16-Aout’. Er ontstaat meteen chaos en nog meer nerveus autoverkeer. De aardebeien hebben felle aftrek. Ik lees een hard verhaal van Abdelkader Benali over het begraven van zijn vader. Ik sms naar Baharak Bashar dat ik ‘Sejjed’ van Kader Abdollah erg sterk vond.

Een mond in de medina gaat fel tekeer omdat alle tanden hem hebben verlaten. Het restaurant is zo’n heerlijk traditionele plek waar de moderniteit zijn klauwen niet kon op drukken. De harirasoep is dik, de kikkererwten precies ‘à point’, er is water voor de dorstigen, verpakt in anderhalve liter colaflessen. De tariefkaart aan de muur is een staaltje van nostalgie, het is ok om een foto te nemen zegt de baas.

De zwarte Afrikanen zijn uit Senegal, maar Oujda is slechts een tussenstation. ‘Maroc est le port d’Europe’, ze willen via Tanger of vanuit Nador de oversteek wagen. Ik durf aan de jonge kerel niet te vragen of hij weet heeft van de levensgevaarlijke oversteek (wellicht wel) en over het harde leven in Europa en de enorme moeilijkheden om als Senegalees erkend te worden in mijn land (wellicht niet). Ik zie ook jonge Afrikaanse moeders met kleine baby’s, waar en wanneer zijn die kleintjes erbij gekomen?

Een heftige ervaring die ik niet snel zal vergeten. Terug van Oujda ga ik wat rusten op bed en wordt gewekt door tumult op straat. Het is geen huwelijkskaravaan maar een manifestatie die solidariseert met de Hirak.

Ik neem foto’s, praat met activisten maar blijkbaar ben ik toch een heleboel rode lijnen aan het oversteken. Ik sta al te zichtbaar met sympathisanten uit te wisselen, ga nadien nog op café, negeer een man naast me die zegt ‘het is verboden wat je doet’.

Ik neem afscheid, trek de stad in en wordt aangesproken door een drietal personen in burger en één iemand in uniform. Ik word op straat en in mijn hotel zwaar op de rooster gelegd. ‘Ken ik mensen in Berkane? Waarom heb ik foto’s genomen? Wat doe ik van werk? Welk soort educatie?’ “Het is een fout wat je gedaan hebt, je dient je te beperken tot het toeristisch kader. Je hebt het recht niet om een demonstratie te filmen”, ik geloof dat de voorman van de groep het vijf maal ingepeperd heeft. Mijn GSM wordt doorgelicht, zo werkt een democratie dus. Wie is Abdelkrim van El Hoceima? Wie is Sietske De Boer?

De spanning is te snijden. Mijn facebookprofiel wordt doorlopen, sta ik nu echt op een zwarte lijst? Ik ben er al te opzichtig ingetuimeld, me veel te demonstratief gedragen, als een Belgische olifant in een Marokkaanse porseleinenkast. Ik beargumenteer dat de verschillen  tussen België en hier op dat vlak heel groot zijn. ‘Elk land heeft zijn specifieke regels’, klinkt het droog.

Ik maak me hier morgen best snel uit de voeten en vertrouw het zaakje niet. Ze hebben al mijn gegevens, ze laten uitschijnen dat het terug code groen is, maar ik zie overal knipperlichten en dat is wellicht ook de bedoeling. Intimidatie, de puntjes op de i zetten, je in het toeristisch gareel houden, met lastpakken kunnen we hier niks doen, besmet het blazoen van ons land niet. ‘Het is voor je veiligheid en die van ons, dat we hebben ingegrepen’.

Het boek van Btisam Akarkach komt op  die manier wel heel dichtbij alsook de getuigenissen van Nina Magdalena op de Nederlandse televisie. Ik hoor dat Nasser Zefzafi nu in de gevangenis van Fes is opgesloten, maar logischerwijze is dat een al te schrale troost voor de activisten. Hij moet vrijkomen, want zijn eisen en die van de Hirak zijn geweldig legitiem, zijn aanhouding is ongerechtvaardigd.

Ik zet mijn angst en kwaadheid om in een lied, geadopteerd op een jeugdband uit Roeselare. In The Slugs hadden Tom Meeuws en Mathias Sercue een hoofdrol :

Het lijkt erop
Dat de generaal
Dat de generaal
Het lijkt erop
Dat de generaal
Mijn foto’s wist
Het lijkt erop
Dat de generaal
Me angst aanjaagt
Het lijkt erop
Dat de generaal
Intimideert
Het lijkt erop
Dat de generaal
Wel heel erg beeft
Het lijkt erop
dat de generaal
mijn woorden vreest
het lijkt erop
dat de generaal
mijn boeken leest
en het lijkt erop
dat de generaal
zijn helpers stuurt
het lijkt erop
dat de generaal
nu ook in Nador tuurt
hoeveel ogen heeft de generaal?
Hoeveel oren heeft de generaal?
Hoeveel mannetjes heeft de generaal?
Hoeveel handen heeft de generaal?

Zondag 14 april ’19

Het hele gebeuren heeft toch wel indruk op me gemaakt. Een wrange nasmaak. Het weegt op mijn gemoed. Dat je een protestdemonstratie niet mag fotograferen en eigenlijk enkel nog mag praten over koetjes en kalfjes met de bevolking, dat je enkel gebouwen en je hotel mag filmen en politiek een rode lijn is … ik besef weer beter hoe vrijheid van meningsuiting een te koesteren goed is. Dat je ongestoord mag praten en kritisch reflecteren over wat je wil, vinden we in België zo evident dat het schokkend is als die basiscondities in een samenleving niet vervuld zijn. Wat zou er met de activisten van gisteren zijn gebeurd? Ik moet weer onder de mensen komen, beetje basisvertrouwen opdoen, op café gaan …

Ik verlaat Berkane, nabij MADAGH meng ik me maar vermijd het gesprek over de Hirak, ik denk dat ik me beter wat gedeisd hou als ik het land nog uit wil … SAIDA wenkt.

Een beetje Blankenberge-zonder-hoogbouw kan deugd doen. Er zijn wat jongens en meisjes die wat dollen op een vrijwel leeg strand , de vakantie moet nog op gang komen. Er zijn campagnes om het strand proper te houden, als er commerciële belangen zijn is veel mogelijk. En zo contrasteert Saidia in veel van de hectische steden waar het vuil overal rondslingert. De jongens gaan diep de zee in, de twee meisjes dansen op het strand, Raymond is nabij … ik kijk vanuit hier naar Algerije , zonder die prikkeldraad had ik graag de grens eens overgestoken. Ik fietskuier verder naar RAS EL MA wat zoveel als hoofd van de zee betekent …

Het hoofd is zeer gewillig. De gendarmerie (jawel!) verwijst me naar een auberge wat een fantastische overnachtingsplek blijkt te zijn. De kamer is nostalgisch ouderwets en op tweehonderd meter van het strand. Bilalde, de uitbater vraagt me om reclame te maken voor ‘Auberge de Cap de l’Eau’, bij deze, een ereplek in de galerij van heerlijke slaapplekken … ik zou er graag eens met Sofie verblijven.

Ik word getrakteerd door de uitbater van het hotel en twee Ahmed’s schuiven mee aan. Sardines van Ras el ma natuurlijk, met harirasoep en een tomatensalade, weeral gratis. De gastvrijheid is de laatste dagen over-wel-di-gend. Het gaat aan tafel over de economische crisis die volgens de oude Ahmed twee jaar aan de gang is. De disgenoten hopen op een nieuwe boost met het openen van de grens met Algerije nu Bouteflika verdreven is. Geen flauw idee of dat een  luchtkasteel of een haalbare utopie is.

Ik ga twee keer zwemmen in zee, de miniemen van Berkane trainen op het strand. Een heerlijke dag om verder te lezen in ‘Orlando’ …

Het is komen en gaan in Ras el ma, nu ik hier langer kan blijven dan in 2016 probeer ik de plek zoveel mogelijk in me op te zuigen. Op een marktje gonst het om acht uur nog van de bedrijvigheid. Vanuit Mimoun Saidi Café heb ik een schitterend uitzicht op de bruisende plek. In de moskee lopen mannen in en uit, een verkoper van bonen slaat het allemaal evengoed gade, barbecue’s met vis draaien overuren, het is waanzinnig om hier GEEN vis te eten, een oudere man rookt wat kif en hoe het systeem van de parkeerwachters werkt is me een raadsel … ik zie: wortelen, sinaasappelen, artisjok, citroenen, veel ajuin, look, aardappelen, T-shirten, korte broeken die me niet passen, kelners die met theebladen laveren, iemand heeft nog gebak over, niet al het ronde ovenbrood zal verkocht geraken …

Ik denk terug aan mijn lange babbel met Youssef in Berkane. ‘Je suis complètement stressé, ma tête est toujours à Belgique, à Wavre’. Twee keer de overtocht, twee keer teruggestuurd, drie maanden gevangenis in Nador, ik mocht daar allemaal niet over praten zei de gendarmerie … maar ik zie ook heel veel blije, sportieve, verliefde, enthousiaste gasten. Op het strand, aan de markt, in het water, onderweg, in de velden, de kleine en de grote steden … er zijn geen algemene verhalen, er zijn alleen verhalen van allerlei gelaagde en soms complexe levens. Over Marokko zeg ik niets meer …

Maandag 15 april ’19

Bilaled wuift me uit.

‘Bon voyage’, het klikte goed tussen ons en ik voeg nog wat complimenten toe over de kamer, ook al hebben de muggen me behoorlijk lastig gevallen.

Pauze in ARKMANE, veertig kilometer achter de kiezen en nog twintig te gaan naar NADOR. Ik heb spijt dat ik niet op de uitnodiging van twee leerkrachten voor een kop thee ben ingegaan. In het schooltje halfweg tussen Nador en Ras el ma is geen stromend water, de leraars brengen zelf het water in bidons mee in de koffer van hun auto. Ze leren er Arabisch, Frans, Tarafit aan. Het berberschrift prijkt op de witgekalkte schoolmuren. De kinderen komen allemaal uit arme gezinnen, bevestigt Hassan de leraar. De leerlingen lijken allemaal even groot en moeten lachen als ik de schoolpoort opendoe.

 Het parcours naar Nador is draaglijk maar niettemin uitputtend, het landschap weeral de moeite. Opvallend veel herders onderweg. Ik stel me de vraag wat er in zo’n jonge snaak met vijf schapen, een hond, een stok, een hoedje om zich te beschermen … omgaat als hij een zwaarbepakte fietser traag ziet naderen, een Europeaan die als hobby hier een fietstochtje maakt … Onze levens zijn zo enorm verschillend en op reis in andere oorden worden we daar voortdurend mee geconfronteerd.

NADOR. Het valt me op dat er veel Nadors zijn. Een groots project Marchica belooft een positieve ontwikkeling voor de stad en de regio, aan een lange chique boulevard wordt verder gewerkt. Maar de realiteit in de nabije chaotische binnenstad is anders. Er zijn vrouwen die moeten bedelen of papieren zakdoekjes verkopen om te overleven.

En wellicht ben ik terug in overtreding, ik sta te gapen naar een moskee en een uitgesproken linkse zestiger onderhoudt me met een gesprek  over de staat van de Marokkaanse samenleving. Het is niet echt een promopraatje. Hij is trots en heel goed op de hoogte van allerlei cultureel erfgoed in Fes, Marakech, Meknes … waar ik volgens hem dringend moet passeren. Na het voorval in Berkane blijf ik echter erg op mijn hoede, één keer verklikt worden en op de rooster is voorlopig genoeg. Wat me het meest verrast is hoe snel ik paranoïde ben geworden na één klein incident. Hoe moet dat in de DDR zijn geweest waar één op de zes burgers lid was van de Stasi? Ik moet denken aan ‘Das Leben der Anderen’ en de dubbele betekenis van ‘Fluisteraars’ van Orlando Figes. In wat voor angst en stress moeten HIrak-activisten voortdurend leven? Hoe was de sfeer hier onder de dictatuur van Hassan II ?

Ook mijn gesprekspartner, hier op een terrasje in Nador, dempt zijn stem als hij al te ongezouten over het afvalbeleid, gezondheidszorg, de economie, de wegen … zijn mening ventileert. En of ik iets voor Kadouri in Molenbeek kan doen? ‘Elle vit sans papiers à Bruxelles’.

Twee Nadors zei ik toch? Eén waar je langs de kade ordentelijk en georganiseerd met WC-madam en al kunt plassen en schijten, waar de gemotoriseerde gendarmerie een oogje in het zeil houdt, waar er allerlei personeel in kraakwitte hemdjes een oogje houden op het verdachte en onverdachte. En de overkant van de boulevard is in alles zo wat het tegendeel.

                                   Een jonge Syrische vluchteling  start een gesprek. Mustapha. Marokko is slechts een zeer voorlopig tussenstation. Via Istanbul  is hij moederziel alleen in Nador belandt. Door de woestijn. De volgende etappe is Mellila, daar wil hij illegaal de grens over. Hij weet genoeg dat er daar velen zijn die het willen proberen. Hij spreekt Arabisch in op zijn smartphone en er volgt vaak kadukelijke Engelse vertaling, maar genoeg om te begrijpen hoe extreem moeilijk zijn leven is. Thuisgekomen zal ik hem toevoegen op FB, het is schraal, hij verdient een goed leven en ik kan weinig doen … misschien moet ik solliciteren als straathoekwerker in Nador?

Ik kan me niet van de indruk ontdoen, ook al heb ik geen harde bewijzen, dat er in de context van zoveel armoede geen sexuele uitbuiting zou bestaan. Ik weet dat het in Casa en Rabat op grote schaal bestaat, er is weinig reden aan te nemen dat Nador daar helemaal los zou van staan.

Ik kan me helaas ook niet van de indruk ontdoen dat ik gevolgd wordt op straat. Een lange man met een pet op. Het ligt er vingerdik op, als ik een bankje opzoek blijft hij in de buurt kamperen. Is het om me te volgen of voor mijn veiligheid? Het is behoorlijk stresserend. Het wordt tijd dat ik het land verlaat en misschien vinden de autoriteiten dat ook? Moet ik op de man met de pet toestappen en vragen of er een probleem is? Net als ik het van plan ben, speel ik hem zelf kwijt, alsof hij mijn gedachten leest … de hotelreceptionist zegt dat ik me geen zorgen moet maken, maar dat klinkt meer sussend dan geruststellend …

Dinsdag 16 april ’19

‘Als er een toekomst was in Tunesië, dan was ik hier niet’. Nador is slechts ‘un point de passage’. Zijn familie is al in Frankrijk, in Spanje. Het is één van de vele zeer deprimerende gesprekken die je hier in Nador kunt voeren. Ze delen een kamer met vier in mijn hotel. Ze kwamen Casablanca via Tunis binnengevlogen. ‘Er is dan wel een nieuw regime in ons land, voor ons jongeren is er geen werk, geen geld te verdienen voor een bestaan, Tunesië is een catastrofe, Marokko is beter’. Ze zijn ramptoeristen in de ontzettend pijnlijke en moeilijke en complexe betekenis van het woord. De grens met Melilla is ontzettend streng bewaakt en als je al in Europa geraakt, is er helemaal geen garantie dat je asielaanvraag wordt goedgekeurd. Er is immers geen oorlog in Tunesië , ook al is ‘honger’ of ‘uitzichtloosheid’ ook een vorm van geweld.

Veel meisjes op de dijk lopen arm en arm en ze blaken van zelfvertrouwen, ze zijn goed en mooi gekleed, sommige erg zedig, anderen heel opzichtig. Van de wandelboulevard langs de zee kun je veel zeggen, maar hij is wel van iedereen. En om de drukke en miserabele straten van de stad even te ontvluchten, heeft hij zeker zijn functie.

Mijn achtervolger van gisteren passeerde net, ik sta weer even te trillen op mijn benen … het blijft bij passeren, ik ben op één dag van ‘staatsgevaarlijk’ naar ‘quantité négligeable’ gedonderd. Ben er niet rouwig om. De gendarmerie morgen is een laatste hindernis. Ik sluit mijn laatste Marokkaanse avond af met kaastaart, een vissoepje en Manchester United-Barcelona. Onnodig te vragen voor wie ze hier uit hun dak gaan. Messi heeft een zelfde status als de Marokkaanse koning …

Woensdag 16 april ’19

Dag van de terugkeer. Een zwarte verwarde man staat met veel misbaar naar auto’s te zwaaien. Ik zie geen logica in zijn gebaren. Wie krijgt er van langs en wie niet en waarom? Het is lastig ontbijten in Nador. Als ik een ontbijt afsluit, komt hij een resterend suikerklontje halen. Een jongen laat verstaan dat hij honger heeft. Een zoon loopt gearmd mét en presenteert zijn vader, vraagt om een aalmoes. De sigarettenverkoper, de schoenpoetser, iemand loopt met twee paar sloffen te koop die niemand wil … het is allemaal zo vernederend. Dat je je handicap moet exploiteren, je dag al bedelend  op je oude dag moet doorkomen, dat je sloffen moet aanbieden terwijl anderen naar de Champions League kijken, het zien van uw steden doet pijn aan de ogen …

Er zijn drie Nadors. Op de weg naar BENI-ANZAR waar Nador-Port ligt is er ook het Fort van Nador (3). Een soort ‘gated community’, op enkele kilometers buiten de chaotische stad (1) en de wandelboulevard met zijn Mercure Hotel (2). Er zijn armen genoeg uit (1) die de toegangswegen rond (3) proper houden. Zonder pasje kom je in (3) niet in, heb een sterk vermoeden dat de Marokkaanse staat instaat voor het controlerend personeel bij het hek. Rijke toeristen hebben recht op een zorgeloos verblijf waar ze geen bedelaars of blinde kromme vrouwtjes hoeven te kruisen.

De buitenmarkt van BENI ANZAR is dan weer 100% Maroc. Er wordt me veel vis aangeboden, maar met mijn laatste dirham hou ik het op olijfolie, brood en een zak lookbollen, een kado’tje voor het gezin …

Een terrasje geeft uitzicht op een robuust gebouw waar baby’s worden besneden, knalrode Petit taxi’s rijden op en aan. De mama’s en de broertjes stralen. Waar zijn de papa’s? De olijfolieverkoper heeft redelijk wat klanten, naar zijn winstmarges heb ik het raden. Uit dat gebouw klinkt af en toe een schrille kreet, een stuk voorhuid moet wijken. De djellaba van een vrouw die instapt heeft krak dezelfde kleur als een helblauwe taxi. Een papa knuffelt zijn schreeuwende peuter van pakweg drie en rijdt de helling op.

Er zijn jongens die wat trachten bij te verdienen door met een kruiwagen wat spullen te vervoeren. Ik moet aan die Tunesische jongen denken: ‘ook al wroeten we de hele dag, we bouwen niets op, verdomme’.

De politie is dan toch mijn vriend. Mijn kritische vriend zelfs! Aan de melkboer schaf ik nog een half litertje karnemelk aan. Een vertegenwoordiger van de Gendarmerie Royale betaalt mijn flesje en start een gesprek. Ik alludeer op de armoede in Marokko, maar de arm der wet gaat niet akkoord. “Marokko zou rijk moeten zijn, maar zijn ontwikkeling wordt gefnuikt door de vele zakelijke belangen van Frankrijk. Zowel in de luchtvaart (Royal Air Maroc), als in de Télécom, als in de ontginning van fosfaten zijn de zakelijke belangen van Frankrijk nog altijd torenhoog. Veel winst vloeit naar de ex-kolonisator”. Kan ik dit dan samenvatten als post-koloniaal kapitalisme? , vraag ik. Maar op dat moment gooit een woedende man een paraplu van een kraam omver en moet de gendarme ingrijpen. De onderzoeker Koenraad Bogaert (UGent) schreef over deze verhoudingen een boeiend boek, met deze ervaring én alles wat me overkwam in Berkane wil ik het snel aanschaffen.

De grenscontrole verloopt vlot. Alle spullen moeten op de band en er brandt geen rood lichtje bij mijn naam als ze mijn paspoort intikken. Ik moet niet uit mijn dagboek voorlezen of uitleg geven bij enkele kritische boeken in mijn tas.

Wat rest is wachten, lezen, staren, mediteren, begrijpen, nog wat netwerken op de boot.

Ik maak nog een lang praatje met fietsreiziger Jean-Yves uit de Jura. Hij komt uit de streek van ‘La Vache Qui rit’ en is actief in ‘Le vélo qui rit’, zeg maar de Franse fietsersbond. De cultuur van het fietsen en het uitbouwen van goede faciliteiten voor tweewielers in Frankrijk vordert erg langzaam. Dat heeft onder andere met een autoverslaving te maken. Jean-Yves is vergelijkbaar uitgerust als ik maar als kampeerder sleurt hij nog veel meer mee op zijn stalen ros. Fijne kerel, ik zal een foto naar LONS-LE-SAUNIER opsturen.

Nog twee fietsers, een koppel uit Leipzig op terugreis naar Barcelona. Ze trokken vijf weken door Marokko met de tent. Razend interessant om onder andere politie-ervaringen naast elkaar te leggen. Het koppel is niet aan zijn proefstuk toe. Ze fietsten eerder door Iran, Pakistan, China … daar is Marokko op vlak van controle  en beveiliging duidelijk kattenpis tegenover. In Iran kun je zelfs geen politiegebouw fotograferen. En zoals de Oeigoeren behandeld worden in China (een verhouding van één miljoen Chinese militairen tegenover 5,5 miljoen Oeigoeren, Gunther is een intelligente en beleefde jongen maar nu zegt hij ‘they are fucked’), ook daar is elke kritische foto strikt verboden.  Toch goed om één en ander in internationaal perspectief te plaatsen dus …

Ulrike is politicologe. Ze vraagt of ik gesprekken met vrouwen had. Zij dus wel. Straffe verhalen, vaak doordrenkt van de sociale ongelijkheid. Voor meisjes is het veel moeilijker om te studeren of aan werk te geraken is daar één van de componenten van. Of het huishoudelijk werk rust onevenredig vaak op hun schouders en enkel op hun schouders. We bomen door over Volkswagen, de Duitse Groenen, het tijdperk Merkel, waarom de AfD zo piekt in Dresden en minder in het linkse Leipzig …

De ervaring van Gunther strookt met de mijne. Vooral in het noorden van Marokko (en nauwelijks in de Atlas, ze waren ook rond Sefrou) wordt je met een vergrootglas gevolgd. Gunther’s analyse/vermoeden is: in een land met zoveel armen en werklozen is er een heel leger mensen die de politie graag assisteert bij het in de gaten houden van toeristen, zeker zij, die zich op een ‘ongebruikelijke’ manier voortbewegen en onder de locals mengen. Overal zag hij vaak gedurende meerdere dagen dezelfde gezichten opduiken. Dan is de ‘achtervolger van Nador’ blijkbaar toch geen paranoïde verzinsel van ondergetekende … hoe groot is het apparaat?

Ze moesten veel regen en zelfs sneeuw trotseren in maart. Overvloedige regen in Marokko, het bestaat! Ze deden zich voor als dokters, dat soort leugentjes is verteerbaarder voor autoriteiten dan het métier van politicoloog …

Het heeft er alle schijn van dat mijn boot vertraging heeft … niets nieuws onder de Marokkaanse zon.

Donderdag 17 april ’19

Ben zeeziek. Lees Orlando. Extra nacht op de boot. Sms-contact in Barcelona met thuis-en vrienden- en Hirakfront. Ik leef nog schat! En Notre Dame was geen aanslag. 

Vrijdag 18 april ’19

Kajuit gedeeld met mannen van Lyon en Montpellier. Ik vertel over Berkane. “Alle landen hebben bepaalde regels”, klinkt het laconiek.

Boek ‘Tazmamart Cellule 10’ van Ahmed Marzouk is een beklijvend verslag naast ‘Een verblindende afwezigheid van licht’ van Tahar Ben Jeloun. Achtenvijftig officieren en onderofficieren verbleven achttien jaar in extreem zware omstandigheden in een gevangenis in het Zuiden van Marokko, slechts achtentwintig overleefden deze hel. Het regime was meedogenloos na een poging tot staatsgreep van de legerleiding in 1971 in Shkirat. De top of het echte brein achter de poging werd snel geëxecuteerd, aanwezige nietsvermoedende officieren  die niet betrokken waren bij de aanslag betaalden een onmenselijk hoge prijs.

De fietstocht van Sète naar Narbonne is niet eens zo’n bruuske overgang met het land waar ik vandaan kwam. Aan de haven doet de Marokkaanse winkel nog steeds gouden zaakjes, in Agde is er heerlijke couscous royale, de uitbater is van Meknes en zegt dat er 43 dialecten zijn in Marokko, voor hem meteen de reden dat er zo snel ‘bagarre’ is tussen Marokkanen, dichtbij Béziers zijn er straatmadelieven die hun beroep uitoefenen in precaire omstandigheden, ze lijken erg onbeschermd, de prostitutie is gewoon wat explicieter dan in Nador. En in Narbonne zie ik mannen in djellaba de moskee verlaten, het is vrijdag. Het weer is even weldadig als in Marokko, ik vergeet me weeral in te smeren.

Toulouse. Lekker dessert bij een Tunesische Fransman. ‘Het gaat slecht in het noorden van mijn land’ , bevestigt hij het verhaal van de jonge kerel uit Nador.

Zaterdag 19 april ’19

Nachttrein naar Parijs. Douai. Rijsel. Lokeren.

Thuiskomen. Bijpraten. Vrouw omhelzen. Vrienden bellen. Naar de selder kijken.